Introductie bijvoeding 2022-05-03T23:21:32+02:00

Introductie bijvoeding

Hoe en wanneer kunt u het beste bijvoeding introduceren?

Een kind heeft tot de leeftijd van 6 maanden geen vaste voeding nodig om voldoende voedingsstoffen binnen te krijgen. Borstvoeding en kunstvoeding leveren alle voedingsstoffen die een kind in de eerste 6 maanden nodig heeft. Daarna is ook vaste voeding nodig voor de verdere groei en ontwikkeling.

Borstvoeding is belangrijk voor de groei en ontwikkeling van kinderen en beschermt tegen ziekten. Een kind profiteert het meest als hij ten minste 6 maanden borstvoeding krijgt, maar elke week telt. Indien met vaste voeding voor de leeftijd van 6 maanden wordt gestart en uitgebreid naar grotere hoeveelheden dan enkele hapjes, terwijl het kind borstvoeding krijgt, bestaat de kans dat de melkproductie gaat teruglopen en dit kan onwenselijk zijn.

Op basis van relevante wetenschappelijke literatuur worden in de Richtlijn Voeding en Eetgedrag en de Richtlijn Voedselovergevoeligheid aanbevelingen gedaan om de introductie van bijvoeding te starten wanneer het kind 4 tot 6 maanden oud is, mits het kind en de ouders daaraan toe zijn. Belangrijke criteria om te bepalen of het kind toe is aan bijvoeding zijn: voldoende romp/hoofd stabiliteit, afnemende kokhalsreflex, interesse in eten en zelf dingen pakken en in de mond stoppen. De eerste hapjes half vaste voeding dienen ter kennismaking met nieuwe smaken. Het gaat om kleine hapjes (dus een paar lepeltjes) groente of fruit. Deze hapjes zijn extra en komen niet in de plaats van borstvoeding of kunstvoeding. Het is dus ook niet wenselijk dat voor de leeftijd van 6 maanden de half vaste voeding de borstvoeding of kunstvoeding gedeeltelijk vervangt of leidt tot overconsumptie bij het kind. Het risico op het ontwikkelen van een voedselallergie is hoger wanneer andere voedingsmiddelen dan borst- of kunstvoeding eerder dan de leeftijd van 4 maanden of later dan de leeftijd van 6 maanden worden geïntroduceerd. Dit is met name relevant voor kinderen met een erfelijke aanleg voor allergie, die een grotere kans op het ontwikkelen van voedselallergie hebben dan andere kinderen. Het gaat hierbij om kinderen met minstens één ouder of broertje of zusje met een aangetoonde allergische aandoening zoals hooikoorts, astma of eczeem. Vanaf 6 maanden wordt (half) vaste voeding gegeven naast volledige melkvoeding, omdat de energiebehoefte en voedingsbehoefte van het kind dan hoger wordt. Vanaf de leeftijd van 7 à 8 maanden wordt gestart met het aanbieden van vaster voedsel, zoals een babykoekje, een broodkorstje, soepstengel of rijstwafel. Om ervoor te zorgen dat het kind zich niet verslikt, moet het kind de stukjes voedsel met de tong naar de zijkant in je mond brengen en er met de kaakranden (de meeste kinderen hebben op deze leeftijd nog geen kiezen) op kauwen. In het begin zal het meer sabbelen dan kauwen zijn. Daarom zijn zachte koekjes of voedsel dat snel zacht wordt gemakkelijker om mee te beginnen dan brood. In de loop der tijd leert het kind om de stukjes goed naar de zijkant in de mond te brengen en er steeds krachtiger op te kauwen. Het kind kan dan steeds harder voedsel verwerken. Vanaf dat moment gaat de vaste voeding de melkvoeding steeds meer vervangen. Meestal rond de leeftijd van één jaar kan het kind met de pot mee-eten.

Elk kind is uniek in zijn groei en ontwikkeling. Er is daarom geen universeel schema voor de introductie van vaste voeding, maar de bovenstaande afwegingen bieden een kader voor de introductie van andere voeding dan borstvoeding of kunstvoeding.

Klik hier voor meer informatie van het Voedingscentrum over de eerste hapjes.

Wat zijn problemen met de introductie van de bijvoeding?

Een kind dat van een lepel leert eten blijft soms veel en langdurig zuigen en sabbelen op de lepel. De tong komt daarbij naar voren tussen de lippen, waardoor het lijkt alsof het kind het eten niet lekker vindt. Dat is echter niet het geval! Het kind moet nog leren om de lepel goed af te happen. Daarnaast moet het kind nog leren om met de tong een opwaartse beweging te maken bij het doorslikken van de half vaste voeding in plaats van een voorwaartse beweging, die nodig is voor het drinken aan de borst of de fles. Het duurt gemiddeld 4 tot 6 weken, voordat het kind goed van de lepel kan afhappen, onafhankelijk van het moment waarop gestart wordt met het aanbieden van de hapjes.

Het komt ook voor dat het kind moeite heeft om aan nieuwe smaken of structuren te wennen. Goed om te weten dat het voor een kind tot de leeftijd van een jaar nodig is om gemiddeld 10 keer een nieuw smaak te proeven, voordat hij eraan gewend is. Vanaf een jaar zijn er gemiddeld 20 proefmomenten nodig.

Het kind kan moeite hebben met het eten van half vaste voeding met stukjes er in. Dit levert vaak problemen op, omdat hiervoor een gecombineerde vaardigheid nodig is, waar het kind nog niet aan toe is. De half vaste voeding moet snel worden doorgeslikt, terwijl de stukjes nog moeten worden gekauwd. Het kind gaat kokhalzen, omdat hij de samengestelde substantie (zonder te kauwen) in één keer weg wil slikken.

Als het kind vaster voedsel of de voeding middels de Rapley methode krijgt aangeboden, kan het voorkomen dat het kind zich verslikt of gaat kokhalzen, doordat hij nog onvoldoende in staat is om te kauwen. Het kind kan moeite hebben om de stukjes voedsel naar de zijkant van de mond te brengen en probeert de stukjes na het afhappen meteen door te slikken. Het kokhalzen of verslikken kan voor het kind een hele vervelende ervaring zijn en ouders schrikken hier meestal erg van. Wacht dan niet te lang om hulp in te schakelen! Als dit regelmatig voorkomt, kan er namelijk voedselaversie ontstaan.

Wat doet de logopedist?

In eerste instantie vindt een intakegesprek met de ouders plaats, waarin de voorgeschiedenis en de hulpvraag wordt besproken. Door observatie van het eten en een onderzoek naar de bouw, de gevoeligheid, de motoriek en de reflexen in en rond de mond wordt gekeken welke problemen zich voordoen.

Bij de behandeling krijgt u advies over de houding, de opbouw van voeding en de wijze waarop de voeding het beste kan worden aangeboden. Er wordt gekeken welke lepel het beste aansluit bij de ontwikkeling van uw kind of dat het misschien beter is voor uw kind om met de handjes het eten te ontdekken. Doel van de behandeling is het eten gemakkelijker en plezieriger te laten verlopen, aangepast aan de mogelijkheden van uw kind. Eten moet voor u en uw kind (weer) een leuke en gezellige activiteit worden!